Het gebit



Het gebit

Het blijvende gebit

Een (jong)volwassen mond heeft doorgaans 32 elementen. Element is het woord dat in de tandheelkunde wordt gebruikt voor ‘tand’ of ‘kies’. De elementen in een (jong)volwassen gebit die al gewisseld zijn, noemen we het blijvende gebit

Als we de boven- en onderkaak door de helft delen (een linker- en rechterhelft), ontstaan er in totaal vier kwadranten

  • Rechtsboven = 1e kwadrant
  • Linksboven = 2e kwadrant
  • Linksonder = 3e kwadrant
  • Rechtsonder = 4e kwadrant

In ieder kwadrant vinden we dus maximaal 8 elementen en ieder element heeft een nummer gekregen. De voorste, eerste incisieven (snijtanden) zijn nummer 1, de incisieven daarnaast zijn nummer 2, de cuspidaten (hoektanden) zijn nummer 3, de premolaren (kleine kiezen) zijn nummer 4 en 5 en de molaren (grote kiezen) zijn nummer 6, 7, 8, van voor naar achter. 

De achterste molaar in een kwadrant is de verstandskies. Deze kies is niet bij iedereen aangelegd.

De combinatie van het nummer van het kwadrant en het nummer van het element zelf vertelt ons precies welk element wordt bedoeld.

Bijvoorbeeld: de eerste premolaar linksboven is de 24. Dit spreek je niet uit als vierentwintig, maar als vier-twee.

Het melkgebit

De eerste elementen die doorkomen bij kinderen zijn onderdeel van het melkgebit. Een volledig melkgebit bestaat uit 20 elementen, 5 in ieder kwadrant. Deze elementen zijn verschillend van de blijvende elementen. Daarom hebben de kwadranten van een melkgebit een andere nummering gekregen. 

  • Rechtsboven = 5e kwadrant
  • Linksboven = 6e kwadrant
  • Linksonder = 7e kwadrant
  • Rechtsonder = 8e kwadrant

 

Bijvoorbeeld: de cuspidaat rechtsonder is de 83. Dit spreek je niet uit als drieëntachtig, maar als acht-drie.

Wisselen

Tijdens de vijfde maand van de zwangerschap begint al de ontwikkeling van het gebit. Meteen na de geboorte vindt de ontwikkeling van de wortels plaats. Als de wortels voor tweederde gevormd zijn, breken elementen door.

Al bij 6 maanden oud breken de eerste elementen door. Dit zijn de 1e incisieven (snijtanden) in de onderkaak. Als de baby 9 maanden oud is, breken de 1e incisieven boven door en met 12 maanden komen de 2e snijtanden. Als het kindje 16 maanden oud is komen de eerste melkmolaren (melkkiezen) door, met 20 maanden de vier hoektanden en tussen 24 en 30 maanden breken de 2e melkmolaren door.

Rond het zesde levensjaar start de eerste wisselfase met de eerste blijvende kiezen. Tussen 8 en 10 jaar vindt er geen wisseling plaats (de rustfase). Het wisselen wordt weer hervat in de tweede wisselfase die tot wel het 24e levensjaar kan duren. Voor een overzicht van de wisselfases, zie de tabel.

Het element

Elk element is een complex geheel van harde en zachte weefsels, ontworpen om specifieke functies te vervullen: het bijten, scheuren en malen van voedsel. Kennis van de anatomie van een element is onmisbaar voor de tandartsassistent, omdat deze de basis vormt voor alle werkzaamheden in de tandheelkundige praktijk.

Een gebitselement bestaat uit drie hoofdonderdelen:

  1. Kroon – het zichtbare deel boven het tandvlees. De kroon is bedekt met glazuur en bepaalt de vorm van het element. De kroon kan verschillend zijn per type element (snijtand, hoektand, premolaar of molaar).
  2. Wortel – het deel van het element dat in het kaakbot verankerd is. De wortel is niet zichtbaar in de mond en wordt omgeven door het wortelcement. De wortel houdt het element stevig vast via het parodontaal ligament (de ophangvezels tussen wortel en bot).
  3. Tandhals – de overgang tussen kroon en wortel, ter hoogte van het tandvlees.

Binnen elk element vinden we verschillende weefsellagen, elk met een eigen functie:

  1. Glazuur – de harde, witte buitenlaag van de kroon. Glazuur is het hardste weefsel in het menselijk lichaam en bestaat voornamelijk uit calciumfosfaat in de vorm van hydroxyapatiet. Het beschermt het element tegen slijtage en zuren.
  2. Dentine (tandbeen) – ligt direct onder het glazuur en vormt het grootste deel van het element. Dentine is iets zachter dan glazuur en bevat microscopisch kleine kanaaltjes waardoor prikkels (zoals kou of hitte) naar de pulpa kunnen worden geleid.
  3. Pulpa – het zachte, levende weefsel in het centrum van het element. De pulpa bevat zenuwen, bloedvaten en bindweefsel, en speelt een rol bij voeding, groei en herstel van het tandbeen. Een ontsteking van de pulpa noemen we pulpitis.
  4. Cement – een dun laagje dat de wortel bedekt. Het is minder hard dan dentine en zorgt voor de verankering van de vezels van het parodontaal ligament in het worteloppervlak.
  5. Parodontaal ligament – een netwerk van vezels dat het element verankert in het kaakbot en lichte beweging mogelijk maakt bij kauwen.
  6. Alveolair bot – het deel van het kaakbot waarin de tandwortels vastzitten.

De pulpa bevindt zich in de pulpakamer (in de kroon) en loopt via de wortelkanalen (in de wortel) naar de foramen apicale – de opening aan de wortelpunt (of apex) waardoor bloedvaten en zenuwen het element binnenkomen. Het aantal wortelkanalen verschilt per element:

  • Incisieven en cuspidaten: meestal één kanaal.
  • Premolaren: één of twee kanalen.
  • Molaren: twee tot vier kanalen.

Waar in de mond?

Om in de tandheelkunde precies te kunnen aangeven waar iets zich bevindt of waar een handeling wordt uitgevoerd, gebruikt men specifieke richtingsaanduidingen. Deze termen beschrijven de ligging van oppervlakken van tanden en kiezen ten opzichte van de mondholte en de andere elementen. In de tandheelkunde gebruiken we hier Latijnse leenwoorden voor.

Het occlusale vlak is het kauwvlak van de kiezen (molaren en premolaren). Dit is het oppervlak waarmee men voedsel fijnmaalt. Bij snijtanden en hoektanden wordt de overeenkomstige rand de incisale rand genoemd.

Mesiaal betekent naar het midden van het gebit toe. Het is het vlak van een element dat dichter bij de mediaanlijn (de denkbeeldige lijn die het gebit in een linker- en rechterhelft verdeelt) ligt.

Distaal betekent het tegenovergestelde van mesiaal: van de mediaanlijn af. Het distale vlak ligt dus verder van het midden van het gebit.

Approximaal betekent: tussen twee aangrenzende elementen in. Het verwijst naar zowel de mesiale als distale vlakken van een element. 

Buccaal betekent: naar de wang toe (afkomstig van ‘bucca’ = wang in het Latijn).
De buccale zijde bevindt zich dus aan de buitenkant van de kiezen, aan de kant van de wang.

Linguaal betekent: naar de tong toe (‘lingua’ = Latijn voor tong). De linguale zijde bevindt zich aan de binnenkant van de ondertanden en -kiezen. 

Palatinaal betekent: naar het gehemelte toe (‘palatum’ = Latijn voor gehemelte). De palatinale zijde bevindt zich aan de binnenkant van de bovenelementen — dus waar de tong het harde gehemelte raakt.

De status praesens

Iedere patiënt in een tandartspraktijk heeft een digitale behandelkaart waar alle relevante informatie wordt bewaard. Er is bijvoorbeeld te zien wat de stand van zaken is met de elementen van een patiënt. Dit noemen we de status praesens of een gebitsdiagram. Er kan hierin aangegeven worden welke elementen aan- of afwezig zijn, welke behandelingen er zijn uitgevoerd bij een element en of er bepaalde plekken zijn die extra in de gaten gehouden moeten worden wegens kans op het ontwikkelen van een gaatje. Let op: de symbolen en kleuren in de status praesens kunnen per praktijk verschillen. In het plaatje hieronder vind je een voorbeeld.